Het belang van mogen vallen (en leren opstaan)

Er is een uitroep die ik de afgelopen jaren opvallend vaak hoor, in scholen, in kinderopvang, in gesprekken met ouders en professionals. Soms kwam hij ook gewoon uit mijn eigen mond. Bijvoorbeeld wanneer ik naar kinderen keek die net iets te enthousiast op hun sokken een trap af wilde rennen. Het is een beschermende gedachte die zich aandient vóórdat je überhaupt hebt nagedacht. ‘Kijk uit!’
We zijn met zijn allen oprecht bezorgd en we willen kinderen veilig houden. Ook voelen we de druk van aansprakelijkheid en van meningen langs de zijlijn. We doen het graag goed in de ogen van de ander. Maar daardoor belanden we ongemerkt in een wereld waarin een speelhuisje al snel verandert in iets waar je vooral níét op mag klimmen, omdat er anders iemand zou kunnen vallen. En wat als jij daarvan de schuld krijgt?

Helaas zorgt te veel bescherming er niet voor dat kinderen veiliger blijven. Het zorgt er wel voor dat ze belangrijke leerervaringen missen: ervaringen die ze juist nodig hebben om stevig te worden in hun lichaam, in hun hoofd en in hun sociaal-emotionele ontwikkeling.
Dit is ook een van de redenen waarom ik Hoe prikkels (ver)werken wilde schrijven. Ik wilde woorden geven aan iets wat veel onderwijsprofessionals en ouders intuïtief allang weten; kinderen leren door te doen. En dat betekent veel spelen, bewegen en proberen. Daar hoort falen bij, misschien meerdere keren, totdat daar de zoete overwinning is. En ik wil laten zien dat die fysieke ervaringen niet alleen ‘leuk’ zijn of ‘goed voor de motoriek’, maar dat ze rechtstreeks samenhangen met zintuiglijke prikkelverwerking, met zelfvertrouwen en met het vermogen om later soepel door het leven te navigeren, letterlijk en figuurlijk.

De fysieke wereld is een leerboek dat niet op een scherm past
In de afgelopen vijftien jaar is het speelgedrag van kinderen sterk veranderd, want schermen zijn een aantrekkelijk alternatief geworden voor buitenspelen en fysiek ontdekken. Het lastige is dat schermen niet alleen tijd opslokken, maar ook een type ervaring vervangen die je nergens anders kunt ‘inhalen’. Totdat de schermen kwamen, verkenden kinderen urenlang de wereld, elke dag, samen met andere kinderen en vaak met weinig toezicht. Ze leerden in die fysieke wereld omgaan met frustratie, met grenzen, met lichamelijke uitdagingen en met conflicten. En ze ervaarden er het gevoel van slagen en van trots.
Kinderen die veel van dit soort ervaringen opdoen, leren situaties beter inschatten en bouwen meer risico-inzicht op, juist omdat ze geoefend hebben met heel veel kleine risico’s. Vallen is in die omgeving niet het einde, maar onderdeel van het leerproces. Schrammen en blauwe plekken zijn dan een ‘trofee’ voor een succesvolle speeldag.

Kinderen moeten bewegen om te leren hoe hun lichaam werkt, wat ze ermee kunnen, wat nog niet lukt en wat oefening vraagt. Alleen door veel te oefenen leren ze soepel door de omgeving bewegen. Door te vallen leren ze dat ze ook weer kunnen opstaan en dat er een wereld is waarvan pijn en frustratie soms een onderdeel mogen zijn. En, heel belangrijk, dat die momenten ook weer voorbijgaan.

Risicovol spelen is niet roekeloos spelen
Het woord ‘risicovol’ is een lastige, omdat het klinkt alsof je kinderen aanmoedigt om domme dingen te doen. Terwijl het eigenlijk gewoon gaat over spel waarin kinderen hun grenzen testen, daarbij soms builen en schrammen oplopen, en juist daardoor veerkracht en copingvaardigheden ontwikkelen. Het verbod op– of het gebrek aan – zulke spelvormen maakt kinderen niet veiliger, maar kwetsbaarder.
Waar het om draait is het verschil tussen gevaar en aanvaardbaar risico. Een aanvaardbaar risico is iets waar een kind van kan leren, waar je als volwassene bij blijft met je aandacht maar wat je niet meteen overneemt, omdat je anders precies dat leermoment weghaalt dat het kind nodig heeft.

Waar vind je onderbouwing en hoe maak je het praktisch
Als je merkt dat je in je team steeds terugschiet in ‘het mag niet want stel je voor’, dan helpt het om samen taal te vinden voor wat je wél wilt, en om inspiratie en onderzoek paraat te hebben. Daarom verwijs ik graag naar Collectief Risicovol Spelen, omdat daar links en wetenschappelijke bronnen verzameld zijn over de voordelen van risicovol spelen en omdat zij hun overzicht van onderzoek, publicaties en vakartikelen blijven aanvullen.
Ook het whitepaper van VeiligheidNL is bruikbaar in gesprekken met collega’s en ouders, omdat het de beweging beschrijft van ‘zo veilig mogelijk’ naar ‘zo veilig als nodig’. Ook biedt het een samenvatting van literatuur over waarom uitdaging belangrijk is en hoe risicovol spelen bijdraagt aan het voorkomen van ernstig letsel.
En wie graag een onderwijsgerichte bron gebruikt, kan kijken naar de Kennisrotonde; daar wordt beschreven dat avontuurlijk of risicovol buiten spelen het welbevinden stimuleert, met aanwijzingen voor positieve effecten op sociale interacties, creativiteit en veerkracht.
Daarna komt het dagelijkse werk, want uiteindelijk gebeurt ontwikkeling niet in een whitepaper, maar op het schoolplein, in de speelzaal, op de stoep, in die ene hoek waar kinderen een hut bouwen van karton en tape.

Waarom het promoten soms risicovol voelt
Ik snap heel goed dat scholen en kinderopvangorganisaties voorzichtig zijn, want er zijn ouders die boos worden, er zijn de (sociale?) media, er zijn protocollen, en er is de angst om aansprakelijk gesteld te worden. Toch helpt het om je af te vragen wat het grotere risico is. Is het erger dat een kind een schaafwond oploopt en daar een pleister op krijgt, of dat een kind jarenlang te weinig oefent met grenzen, frustratie, samenwerking, lichaamsgevoel en herstel? Ik hoorde een jonge vrouw zeggen: ‘Hoe kun je verwachten dat ik leer met emoties om te gaan, als ik ze niet mag hebben?’ Heel treffend. Boos zijn en verdriet hebben is oké. Laat kinderen vooral weten dat je naast hen staat en hen ondersteunt in de moeilijke momenten. Maar voorkom die moeilijke momenten alsjeblieft niet.

Kinderen hebben uitdagingen nodig om te leren waartoe ze in staat zijn en om risico’s te leren inschatten. Juist door grenzen te verkennen en af en toe een buil op te lopen, leren ze wat ze allemaal kunnen. Schaafwonden en blauwe plekken horen bij dat aftasten, en het zijn vaak de volwassenen die zich moeten inhouden om niet te roepen ‘Kijk uit!’ Met die ene uitroep stoor je precies dat proces van vallen en opstaan dat nodig is om later een vaardige volwassene te worden.
En als je dit in je team bespreekt, dan gaat het uiteindelijk niet over stoer doen of grenzen oprekken. Het gaat over kinderen helpen om zichzelf te leren kennen en om te ondervinden wat wel en niet kan. Geef kinderen de ruimte om te leren doseren, om te leren herstellen, en om te ervaren dat falen niet gevaarlijk is, maar informatief. Geef hun de kans om supertrots te zijn als het uiteindelijk wel lukt.
Kinderen hebben de fysieke wereld nodig als oefenruimte. En wanneer we dat serieus nemen, geven we hun iets mee dat hen niet alleen nu helpt, maar ook later. Later, wanneer de uitdagingen en de risico’s groter zijn. En omdat de kinderen uitgebreid geoefend hebben met kleine en vervolgens steeds grotere uitdagingen, kunnen ze dan juist inschatten wat hun mogelijkheden zijn. En als ze dan toch vallen, hebben ze ook al voldoende geoefend met weer opstaan. En opnieuw proberen.

Verwijzingen

Door: Monique Thoonsen
Gepubliceerd op 15 juli 2026

Winkelwagen
Scroll naar boven