Zoals zoveel kinderen keken Grote Broer en Kleine Zus uit naar de zomervakantie. Een bijzondere editie, want vanaf volgend schooljaar zullen ze niet meer samen naar dezelfde basisschool gaan. Grote Broer heeft die mijlpaal afgerond en gaat naar het voortgezet onderwijs. Kleine Zus zal dus binnenkort nog vier jaar zonder haar beschermengel (én kwelduivel tegelijk) de vertrouwde school binnenstappen.
Om heel wat redenen vulden we de zomer niet met een traditionele trip naar de zuiderse zomerzon, maar kozen we voor een vakantie in eigen land. Zoals we heel wat influencergezinnetjes zien doen op sociale media, betrokken we de kinderen bij onze plannen: ze mochten allebei voorstellen doen van plekken die ze wilden bezoeken en activiteiten die ze wilden doen.
Het deed me wat denken aan wat ik vaak waarneem bij ouders van kinderen met autisme, als die een vakantie in het vooruitzicht hebben. Waarschijnlijk zitten ook zij ruim op voorhand even samen met hun kind om in kleine stapjes activiteiten te plannen of allerlei foto- en beeldmateriaal te bekijken (voor zover hun kind al die info en voorspelbaarheid aankan, tenminste). Ouders van kinderen met een andere manier van denken en waarnemen zullen het best weten wat werkt voor hun zoon of dochter en zich waarschijnlijk iets minder laten leiden door wonderverhalen en ideaalbeelden van sociale mediafiguren. Sommigen kiezen voor de routine en trekken liever elk jaar naar dezelfde plek omdat die bekend en vertrouwd voelt voor hun kind. Anderen gaan voor de variatie, maar weten dat duidelijkheid en voorspelbaarheid dan nodig zijn om een ontspannende vakantie niet te laten verzanden in stress en onrust.
Vol goede moed begonnen wij aan ons gezinsoverleg. In mijn hoofd zou het een gezellig gezinsgesprek aan de keukentafel worden waarin we allemaal onze dromen met elkaar zouden delen. We zouden creatieve voorstellen doen die door de andere gezinsleden juichend onthaald zouden worden. We zouden luisteren naar elkaars ideeën en het zou een symfonie van ‘oh ja!’, ‘geweldig!’ en ‘leuk!’ worden in de reacties. We zouden samen zoeken naar toffe hotelletjes en inspirerende reisblogs lezen. We zouden onze gezinsbrainstorm visualiseren in een prachtige collage van foto’s of in een moodboard met zonnige kleuren.
In de praktijk liep dat wel wat anders en heb ik meermaals die modelvaders en -moeders met hun perfecte gezinspraatjes op TikTok en Instagram verwenst naar een plek waar de zuiderse zon niet schijnt.
‘Ik wil naar de zee en naar een pretpark!’, jubelde Kleine Zus meteen. ‘Nee hè, niet weer …’, zuchtte Grote Broer. ‘Waarom gaan we niet eens met een tent naar de bossen in de Ardennen? Daar ligt trouwens ook een boeiend museum over de Tweede Wereldoorlog!’
‘Bah! Dat is toch helemaal niet leuk!’, was de instant-reactie aan de overkant van de tafel. ‘Ik wil naar de dierentuin! Of naar een kinderboerderij met lammetjes!’ werd bot beantwoord met: ‘De enige lammetjes die ik wil zien deze zomer liggen als koteletjes op de barbecue!’ waarna een stortvloed van Kleine Zus-traantjes opwelde.
Ik bespaar je het vervolg van het gesprek, dat in niets leek op de gezellige babbel die ik me voorgenomen had. Verwijten vlogen in het rond, beschuldigingen van favoritisme volgden al snel, een soort ouderlijk compromis (‘We kunnen naar de zee én naar de bossen gaan!’) haalde weinig uit en na nog geen vijf minuten stopte ik met vaderlijk gezag het influencer-onzingesprek. Het uur dat volgde ging in stilte voorbij met twee mokkende kinderen, elk in de uiterste hoek van de bank. Een perfecte afspiegeling van de realiteit: de interesses van mijn 8-jarige dochter en puberzoon liggen simpelweg mijlen uit elkaar.
We zouden het deze zomervakantie dus totaal anders aanpakken. Kleine Zus ging een paar dagen met haar moeder naar de Efteling (voor dit Vlaamse gezin telt Kaatsheuvel nog mee als ‘vakantie in eigen land’) en op hetzelfde moment ploeterde ik met Grote Broer door een bos, op zoek naar een kampeerplek. Terwijl ik een barbecueworkshop volgde met mijn zoon, zaten de dames des huizes in het kasteel van Raveleijn. En daarna draaiden we de rollen om: ik nam Kleine Zus mee naar een gezellige vakantieboerderij en Grote Broer citytripte met zijn moeder naar een museum. Terwijl zij het oorlogsverleden indoken, aaiden Kleine Zus en ik cavia’s en dwergkonijntjes.
Een melige gezinsfilm zou dan een plottwist hebben waarbij broer en zus elkaar meer en meer missen en na een weekje elkaar in de armen vallen bij thuiskomst. Niets daarvan bij ons. Terwijl Kleine Zus enthousiast de namen van elk konijn op de boerderij opsomde, zat Grote Broer geconcentreerd de in- en uitgaande transfers van zijn favoriete voetbalploeg te evalueren. Toen hij even later vertelde wat hij geleerd had tijdens de barbecue-workshop, was zijn zus de jurkjes van haar poppen op kleur aan het sorteren. Mijlenver uit elkaar dus. Het was een zomerse vakantie die iedereen leuk vond, maar misschien niet overeenkomt met het idyllisch beeld dat ons wel vaker voorgespiegeld wordt.
Opnieuw kwam bij mij de gedachte op van een gezin waarin autisme leeft. Soms wordt daar ook gekozen voor ‘samen als het kan, apart als het nodig is’. Maar bij die gezinnen is het niet omdat broer en zus even in een leeftijdsfase vol verschillen zitten, maar omdat ze weten dat genieten van en met elkaar in veel vormen kan. En die zullen geregeld afwijken van wat hun omgeving misschien denkt en zegt. Gezelligheid en verbondenheid zijn geen vast gedefinieerde begrippen met een handleiding. Door te denken dat er een of ander magisch recept voor bestaat dat voor elk gezin werkt, met of zonder autisme, zetten we als maatschappij enkel elkaar onder een oneerlijke druk waarin het oordeel van anderen soms meer doorweegt dan het plezier in ons eigen gezin.
En daarom word ik ‘Real Life Gezinfluencer’. Ik stel me daarnaast meteen kandidaat om te zorgen voor tips en foto’s voor productleveranciers. Bijvoorbeeld voor de fabrikanten van opzetzwembaden; bij ons zitten er geen vader en moeder gezellig te spelen met twee kinderen zoals te zien is op de grote doos van ons zwembad. Mijn tip gaat meer om een gevisualiseerd tijdsslot waarin Grote Broer tien minuten wild mag spetteren en springen, en daarna Kleine Zus op haar beurt voorzichtig met bootjes en eendjes het water in kan. Of voor restauranthouders; onze kinderen zitten nooit naast elkaar (want dan wordt er meer gepord dan gegeten) én nooit tegenover elkaar (want dan wordt er onder tafel meer geschopt dan gegeten). Een diagonaal zitsysteem werkt het best. Zou een horeca-uitbater niet geïnteresseerd zijn in een volledige uitwerking van mijn systeem?
Ik heb trouwens een vergelijkbaar plan voor alle ouders die het wagen om met twee kinderen toch te kiezen voor een lange autorit naar het zuiden. Tactische zitplaatswissels gedurende de rit waarbij de kinderen nooit naast elkaar op de achterbank zitten te vitten, maar om de beurt navigator zijn naast de bestuurder van dienst. Ik kan zelfs merken van brede plakband aanraden die je het best op een tegelvoer kan kleven om precies af te bakenen tot waar lego-blokjes en afstandsbestuurbare auto’s mogen komen en waar het domein van popjes en plastic diertjes begint. Diezelfde plakband werkt trouwens ook goed op de bank, om duidelijk zichtbaar te maken aan welke kant jongensvoeten mogen liggen en waar meisjeshanden kunnen komen. En zo heb ik wel meer goeddoordachte aanpassingen die ik wil delen via mijn foto’s en filmpjes op mijn Real Life Gezinfluencer-account. Dat moet wel een gigantisch aantal volgers en likes opleveren, toch?
We kunnen heus niet de enigen zijn die leven met twee beschermengels en kwelduivels …
Door: Kobe Vanroy

