19 januari 2005
‘Belangenbehartigers zorgen goed voor zichzelf’
Letselschade op de korrel
Door Paul Hovius
Ooit was Raoul van Dort zelf slachtoffer en moest hij jarenlang procederen om zijn schade vergoed te krijgen.
Tegenwoordig heeft hij een eigen letselschadepraktijk. En schreef hij een boek over hoe gedupeerden hun weg kunnen vinden in een juridische jungle.
De gesprekstoon is zacht, de kritiek bikkelhard. Letselschadespecialist Raoul van Dort neemt bepaald geen blad voor de mond wanneer hij praat over het eigen métier. Belangenverstrengeling, oneigenlijke handel in dossiers, trainerende verzekeraars, onredelijke letselschadebureaus, op de eigen portemonnee gerichte advocaten, slechte voorlichting aan cliënten en een kwalitatief onvoldoende dienstverlening door de juridisch hulpverlener passeren de revue.
‘De afwikkeling van letselschade is een naar binnen gericht en voor de buitenwereld ondoorzichtig geheel waarin gewoon fatsoen niet altijd de norm is.’
Letselschade is een relatief nieuw specialisme. Nog maar 25 jaar geleden konden verzekeraars een slachtoffer in grote zaken afkopen met een fooitje van 10.000 gulden. Totdat pioniers als Bert Pals tegengas begonnen te geven en riepen: maak daar maar 200.000 gulden van. En vervolgens zo’n bedrag, soms tot hun eigen stomme verbazing, ook nog voor hun cliënten konden incasseren.
Met het verstrijken van de jaren nam de belangstelling voor het onderwerp toe. Dat gebeurde vooral nadat de Hoge Raad in 1987 had bepaald dat de kosten voor rechtshulp ook onderdeel vormden van de schade. Anders gezegd: na het erkennen van de aansprakelijkheid moest de ‘dader’ ook de rekening van de advocaat van het slachtoffer betalen.
Daarmee verviel voor slachtoffers bij hun poging hun recht te halen een belangrijke financiële drempel. In 1992 werd dit principe ook in de wet vastgelegd.
Advocaten verdiepten zich meer en meer in de materie. De Vereniging van Letselschade Advocaten LSA zag het licht. Door - principiële - zaken aan de (hoogste) rechter voor te leggen, kwam er duidelijkheid over waar de wettelijke grenzen liggen.
Het was ook de tijd waarin Raoul van Dort voor het eerst met letselschade te maken kreeg: als slachtoffer. Een uit de hand gelopen ontgroening op de Koninklijke Militaire Academie in Breda leidde tot een kapotte knie. Nadat het besef doordrong dat dit geen normale gang van zaken was, kostte het hem nog jaren procederen voordat hij uiteindelijk aan het langste eind trok.
Gegrepen door de materie verdiepte de inmiddels als junior belastingadviseur werkende afgestudeerde jurist zich steeds verder in de stof. Dat leidde uiteindelijk tot het opzetten van een dependance van het bureau Pals in Maastricht.
‘Het werd een succes, maar als directeur en manager kwam ik in de loop der jaren steeds verder van de dagelijkse praktijk af te staan. En bezig zijn met dossiers, mensen helpen, vind ik toch het leukst.’ Sinds anderhalf jaar leidt Van Dort in de Limburgse hoofdstad zijn eigen, landelijk werkende letselschadebureau.
De meer commerciële benadering van de vergoeding van letsel, deed de overheid met enige regelmaat waarschuwen voor ‘Amerikaanse toestanden’ en ‘claimcultuur’. Van Dort: ‘Tegelijkertijd zie je dat dezelfde overheid het sociale stelsel meer en meer uitkleedt. Nu al is merkbaar dat weggevallen sociale voorzieningen deel uitmaken van de schadeclaim. Dat roept weer weerstanden op bij verzekeraars en dus tot langere procedures en rechtszaken.’
Schrijnend noemt hij in dat geval de zaak van iemand die al jaren 45 procent arbeidsongeschikt was, maar recentelijk onder de nieuwe WAO- afschattingsregels volledig arbeidsgeschikt is bevonden. ‘Het ligt in de lijn der verwachting dat de verzekeraar zal willen stoppen met betalen onder het motto: “Mijnheer kan volledig werken, laat hem maar een baan zoeken.’ Dat soort ontwikkelingen maakt mij pisnijdig.’
Maar net zo verontrust is Van Dort als hij in zijn eigen branche om zich heen kijkt. ‘Ik durf de stelling aan dat er in het algemeen te weinig aandacht voor de cliënt is. Te veel procedures worden van achter het bureau en uitsluitend schriftelijk gevoerd. Ik vind dat ik iemand pas goed kan vertegenwoordigen, als ik de betrokkene ken. Mij in zijn of haar gedachtenwereld en situatie kan verplaatsen. Je moet de mensen thuis bezoeken. Daar haal je de informatie waarmee je de mensen verder kunt helpen.’
Als voorbeeld noemt hij de man die na een ongeluk niet meer kon doe-het-zelven. ‘Als zo’n man je dat bij jou op kantoor vertelt, neem je dat min of meer als kennisgeving aan. Toen ik bij hem thuis was, zag ik dat hij de meest fantastische verbouwingen verrichtte. Op zo’n moment beoordeel je de te claimen schade toch met andere ogen.’
Net zozeer ergert hij zich aan collega’s die convenanten sluiten met verzekeraars. ,,Hoe kan ik mijn cliënt nu optimaal vertegenwoordigen als mijn handen gebonden zijn door zo’n samenwerkingsovereenkomst? Ik moet de handen vrij hebben. Desnoods om de rechter in te schakelen.’
Procedures over het vergoeden van letselschade zijn ingewikkeld, duren lang en zijn voor de betrokkenen ook vaak heel emotioneel. ‘Letselschade is een onderwerp dat pas gaat leven op het moment dat je er zelf mee te maken krijgt. Dan heb je ook behoefte aan duidelijke informatie.’
Omdat hij vond dat het daaraan schortte, schreef Van Dort het boek ‘Het verhaal van letselschade. Wegwijs in de juridische jungle’. In begrijpelijke taal gaat hij in op begrippen als letselschade, aansprakelijkheid, schade, schadeposten en de invloed van het sociale stelsel. Maar ook de spelers op het letselschadeveld en de kosten van rechtshulp komen aan de orde.
Van Dort: ‘De materie is ingewikkeld. Dat maakt dat de cliënt voortdurend behoefte heeft aan begeleiding en voorlichting. Maar veel advocaten en gespecialiseerde bureaus communiceren niet of volstrekt onvoldoende met hun cliënten. Omdat er dikwijls tegelijkertijd ingewikkeld geformuleerde juridische stukken over tafel gaan, blijft de cliënt daardoor met vragen zitten.’
Eén van de punten waarop het vaak misgaat, is het honorarium van de rechtshulpverlener. ‘Er wordt dan wel verteld dat het honorarium door de tegenpartij wordt betaald. Maar er wordt niet duidelijk bij gezegd dat de cliënt de eventuele kosten van een proces wel zelf moet betalen, of honoraria van externe deskundigen moet voorschieten.
Bovendien zie ik in zaken die ik voor een second opinion krijg voorgelegd, meer dan eens dat de belangenbehartiger heel goed voor zichzelf heeft gezorgd. Bijvoorbeeld door de cliënt te laten tekenen voor een clausule waarin staat dat de belangenbehartiger ook recht heeft op zijn volledige honorarium als de cliënt uit onvrede de zaak bij hem weghaalt en door een ander laat opknappen. Dat blijkt dan in de 'kleine lettertjes' te staan die geen normaal mens begrijpt.’
Zelf handelt Van Dort zijn zaken vrijwel allemaal af op basis van ‘no cure, no pay’. ‘Ik spreek een vergoeding af van 15 procent – inclusief BTW, die BTW ‘vergeten’ belangenbehartigers ook wel eens te melden – als de zaak tot een goed einde komt. Mislukt de zaak, dan betalen mensen niets.
‘In die 15 procent zijn ook alle kosten van externe medische deskundigen, advocaten en gerechtelijke procedures begrepen. Bovendien schieten wij alle bedragen voor. En die 15 procent is een maximum bedrag. Kosten die op de tegenpartij zijn te verhalen, worden in mindering gebracht.
Begrijp mij goed. Ik doe niet aan liefdadigheid, ik denk ook commercieel. Maar wees eerlijk en duidelijk. Slachtoffers stellen dat ook op prijs. Zij hebben het dikwijls al moeilijk genoeg.’
Bron: Ad.nl (www.ad.nl), 19 januari 2005